Bedrijfsresultaten in je Email? Schijf je in voor de gratis nieuwsbrief!
Email:

Chartaal betalingsverkeer

16 Januari 2005 - Bron: Hans Arendshorst

Ontwikkeling circulatie

Vanaf het begin van de jaren negentig heeft in Nederland een sterke groei plaatsgevonden in het gebruik van girale betalingsmiddelen. Vaak is de verwachting uitgesproken dat het gebruik van chartaal geld onvermijdelijk zou teruglopen als gevolg van het sterk toenemende aantal girale betalingen. Niets is echter minder waar gebleken. De circulatie van Nederlandse guldenbiljetten heeft tot in 2001 een groei laten zien (in 2001 is DNB begonnen met het innemen van guldenbiljetten ter voorbereiding van de euro-omwisseling). Tabel 1 laat een overzicht zien van de laatste `normale ´ stand van de circulatie van de guldenbiljetten ultimo 2000. Deze heeft op dat moment een waarde bereikt van € 17,4 miljard. Een vergelijking wordt gemaakt met de netto-uitgifte van eurobankbiljetten eind 2003. De netto-uitgifte betreft het cumulatieve aantal netto door DNB uitgegeven bankbiljetten. In het guldentijdperk zijn de netto-uitgifte en de circulatie nog aan elkaar gelijk te stellen. In het eurotijdperk is dit niet meer het geval, zoals hieronder wordt uitgelegd. De vergelijking in de tabel is daarom slechts illustratief bedoeld.



Over de huidige ontwikkeling van de circulatie van eurobiljetten in Nederland is helaas weinig met zekerheid te zeggen. Na de invoering van de chartale euro per 1 januari 2002 is Nederland onderdeel geworden van een veel groter valutagebied. De Nederlandsche Bank is in het eurostelsel één van de twaalf centrale banken die eurobankbiljetten uitgeeft. In dit grote valutagebied is voor elk afzonderlijk Europees land de circulatie van eurobiljetten niet meer aan te geven. Een belangrijke oorzaak hiervan is de migratie van eurobiljetten binnen het eurogebied en naar andere landen buiten het eurogebied. Zo is bijvoorbeeld de netto-uitgifte van DNB van de € 20 coupure in de loop der tijd negatief geworden. Dit houdt in dat veel meer bankbiljetten van deze coupure door DNB zijn ontvangen dan er ooit door haar zijn uitgegeven. Deze bankbiljetten zijn afkomstig uit buurlanden en worden meegenomen door zakenreizigers en toeristen. Het begrip netto-uitgifte heeft dus in het eurotijdperk nog maar een beperkte informatiewaarde.

Wel kunnen uitspraken worden gedaan over de ontwikkeling van de circulatie in het hele eurogebied. Tabel 2 geeft de stand van de eurocirculatie per ultimo december 2003. Op dat moment bedraagt de circulatie ruim 9 miljard biljetten, met een waarde van € 436 miljard.

Duidelijk is dat de groei van de eurocirculatie twee jaar na introductie van de euro nog niet is gestabiliseerd. Voor een deel komt dit door de internationale rol die de euro speelt als wereldvaluta. Naast de girale tegoeden in euro´s die wereldwijd worden aangehouden, bestaat er ook een internationale vraag naar eurobankbiljetten. Door de Europese Centrale Bank is het aantal eurobankbiljetten buiten de eurozone geschat op circa 9 procent van de totale circulatie. Een andere oorzaak wordt duidelijk als wordt gekeken naar de verschillende groeipercentages van de zeven eurocoupures. De lagere eurocoupures – de € 5, € 10 en € 20 – laten een relatief lage groei zien. Deze coupures worden voornamelijk gebruikt voor het doen van transacties en kennelijk is redelijk voorzien in de vraag naar deze coupures. Met andere woorden: de transactiekassen in het eurogebied zijn zo goed als gevuld. Wel is er nog volop vraag naar de hogere eurocoupures – de € 50, € 100, € 200 en € 500 – voor het aanhouden van zogenaamde spaar- of oppotkassen.



In een tijdperk van voortgaande giralisering van het betalingsverkeer bestaat dus nog volop behoefte aan het aanhouden van contant geld voor transactie- en ook oppotkassen. Chartaal geld heeft een aantal voordelen ten opzichte van giraal geld. In de eerste plaats gemak. Betalingen met contant geld kunnen worden afgewikkeld zonder tussenkomst van derden en ze worden vrijwel overal geaccepteerd. Een tweede belangrijke karakteristiek is de anonimiteit die gepaard gaat met chartale betalingen en spaargelden. Voor centrale banken bestaat tevens het voordeel van de zogeheten seigniorage (‘muntloon’) die zij verdienen op de uitstaande bankbiljetten. De bankbiljetten worden immers tegen betaling van giraal geld uitgegeven door centrale banken. Tegenover deze girale tegoeden staat weliswaar ook een schuld aan het publiek – bankbiljetten kunnen altijd weer worden omgewisseld voor giraal geld – maar deze tegoeden worden wel door centrale banken rentedragend uitgezet. Je zou (sterk vereenvoudigd) kunnen zeggen dat DNB gratis geld leent, dat ze vervolgens rentedragend belegt.

Vorige pagina

Volgende pagina

Overige pagina's
1 Gebruik van chartaal geld
2 Ontwikkeling circulatie
3 De rol van De Nederlandsche Bank
4 Betalen kost geld
5 Conclusie

Terug naar cursussen