Van alle betaalmiddelen waarover consumenten tegenwoordig beschikken, zijn bankbiljetten en munten de oudste. De geschiedenis van muntgeld gaat terug tot circa 600 voor Christus, toen de eerste munten in het oude koninkrijk Lydië (het huidige Turkije) zijn geslagen. Daarvóór zijn allerlei goederen gebruikt als gestandaardiseerd ruilmiddel, zoals vee, schelpen, kralen, metalen en zout. Bankbiljetten zijn pas veel later ontstaan. In 1661 is in Zweden het eerste echte bankbiljet uitgegeven. De Nederlandsche Bank is in 1814 opgericht, onder andere om een betrouwbare uitgifte van bankbiljetten te garanderen. Deze taak vervult zij tot op heden. Chartaal geld heeft een lange geschiedenis, maar is ondanks de opkomst van nieuwe betaalmiddelen niet weg te denken uit het moderne betalingsverkeer.
Het gebruik van chartaal geld houdt de simpelste vorm van betalen in, zonder tussenkomst van derde partijen, zoals commerciële banken. Als betaling voor geleverde diensten of goederen wordt het benodigde geld (direct) fysiek overhandigd. Duidelijk is dat de gebruikte bankbiljetten en munten een bepaalde waarde moeten vertegenwoordigen. Lange tijd hebben munten een intrinsieke waarde gehad door het gebruik van edelmetalen. Deze intrinsieke waarde was gelijk aan de waarde die op de munt vermeld stond, de nominale waarde. Bankbiljetten hebben alleen een nominale waarde; het bankbiljet zelf is lang niet zoveel waard als de waarde die het vertegenwoordigt. Tegenwoordig hebben zowel bankbiljetten als munten uitsluitend een nominale waarde. Deze nominale waarde van het bankbiljet wordt gegarandeerd door de uitgever ervan. Om het vertrouwen in deze waarde te waarborgen ligt het monopolie op de uitgifte van bankbiljetten bijna uitsluitend bij de centrale banken. De waarde van bankbiljetten is lange tijd door centrale banken gegarandeerd door de uitgifte ervan te dekken met goudreserves. Tot 1936 heeft in Nederland deze zogeheten gouden standaard bestaan, die de inwisselbaarheid van Nederlandse bankbiljetten voor de tegenwaarde in goud garandeerde. Indirect blijft deze ook daarna nog bestaan, omdat de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van dollars in goud blijven garanderen. Het loslaten van de gouden standaard wordt in 1971 definitief, als ook de Verenigde Staten deze garantie – het zogenaamde Bretton Woods-stelsel – opheffen. Sindsdien steunt het vertrouwen in contant geld op de betrouwbaarheid van de centrale bank en de algemene acceptatie van bankbiljetten en munten in het betalingsverkeer.
| Overige pagina's | |
| 1 | Gebruik van chartaal geld |
| 2 | Ontwikkeling circulatie |
| 3 | De rol van De Nederlandsche Bank |
| 4 | Betalen kost geld |
| 5 | Conclusie |