Als het aan de Europese Commissie ligt, zal de komende jaren het gat tussen de zogenoemde vastleggingen en betalingen toenemen; de EU krijgt dan meer geld dan ze kan uitgeven.
Toen de Europese regeringsleiders afgelopen december bijeenkwamen
om over Turkije te spreken, is voorafgaand een
stevig eerste robbertje gevochten over de uitgaven van de Unie
voor de jaren 2007-2013. Het uitgavenkader, ook wel Financiële
Perspectieven genoemd, moet volgens de planning aankomende
zomer vastgelegd worden. Eén van de belangrijkste discussiepunten
is de totale omvang van de uitgaven.Het is echter niet
altijd even duidelijk over welke cijfers de discussie wordt gevoerd.
De Europese Commissie heeft ingezet op een bedrag van in
totaal € 1025 miljard (voor de periode 2007-2013), ofwel
gemiddeld jaarlijks 1,26 procent van het Europese bruto nationaal
inkomen (bni). Dat betekent in reële termen een stijging
van zo’n 34 procent ten opzichte van de huidige Financiële
Perspectieven (periode 2000-2006).Volgens de zogeheten ‘nettobetalers’Nederland,
Duitsland, het Verenigd Koninkrijk,
Frankrijk, Zweden, Oostenrijk en Cyprus is een reële stijging van
zo’n zeven procent tot maximaal € 815 miljard (gemiddeld 1,00
procent EU-bni) voldoende om de doelstellingen die Europa
nastreeft, te verwezenlijken. Zij verwijten de commissie gebrek
aan focus en prioriteitstelling en vinden het ambitieniveau voor
hervormingen bij landbouw- en structuurbeleid te laag.
Appels en peren
Hoewel in formele commissievoorstellen sprake is van een uitgavenplafond
van € 1025 miljard, spreekt de commissie zelf liever
over een bedrag van € 928 miljard (gemiddeld 1,14 procent EUbni).
Daarmee oogt de kloof van meer dan € 200 miljard tussen
het voorstel van de commissie en de positie van landen als
Nederland kleiner dan feitelijk het geval is.Hiermee weet de commissie in de pers het beeld op te roepen dat haar voorstellen een
soort middenweg zijn. Dat berust echter op een vergelijking tussen
appels en peren.
Het verschil tussen beide commissiecijfers is terug te voeren
op het verschil tussen vastleggingen en betalingen.Vastleggingen
vormen in een bepaald begrotingsjaar de totale kosten van de
contractuele verbintenissen die worden aangegaan. Zij zijn vergelijkbaar
met de verplichtingen uit de Nederlandse begroting.
Betalingen daarentegen vormen de geplande kasuitgaven die op
enig moment voortvloeien uit de vastleggingen. In de discussie
zoals die nu tussen de regeringsleiders wordt gevoerd gaat het om
de vastleggingen.Het commissiecijfer van € 928 miljard – de zogenaamde
middenweg – betreft daarentegen het plafond voor de
betalingen.
