Concurrentie eurolanden onder druk
7 November 2004 - Bron: Emile Spijkerman en Stephanie Holle, www.minfin.nl
Concurrentie eurolanden onder druk
De meeste landen in het eurogebied hebben de afgelopen jaren hun kostenconcurrentiepositie zien verslechteren.
Sinds de start van de EMU op 1 januari 1999 heeft de wisselkoers
van de euro de nodige turbulentie gekend. Op 17
februari 2004 bereikte de euro tegenover de dollar zijn hoogste
waarde met $1,2858 (ECB-referentiekoers), maar is daarna weer
wat teruggevallen. De reële effectieve euro is een handelsgewogen
wisselkoers, die corrigeert voor verschillen in arbeidskostenontwikkeling
tussen landen. Deze koers lag in het eerste kwartaal
van dit jaar slechts 3,4 procent hoger dan het gemiddelde
sinds 1990 en slechts 5,7 procent hoger dan vijf jaar geleden
(het introductiemoment van de euro).
De ontwikkeling van de concurrentiepositie van het eurogebied
als geheel zegt echter niet alles over de concurrentiepositie
van de individuele eurolanden. Om hier inzicht in te krijgen,
bekijken we in deze monitor de kostenconcurrentiepositie (KCP)
van eurolanden.
Ontwikkeling kostenconcurrentie
Sinds de introductie van de euro staan de onderlinge KCP’s van
eurolanden niet meer onder invloed van wisselkoersontwikkelingen.
Ze worden alleen bepaald door de mate waarin een land zijn
kostenontwikkeling (arbeidskosten per eenheid product) weet te
matigen in vergelijking met andere eurolanden. Om een volledig
beeld te krijgen, moeten we ook de kostenontwikkeling van de
handelspartners buiten het eurogebied meenemen.Het wisselkoersverloop
van de euro speelt dan tevens een rol.

Tabel 1 geeft een beeld van het verloop van de KCP (oftewel: de
reële effectieve wisselkoers) van een aantal eurolanden. De tabel
laat zien dat Ierland het afgelopen jaar een opvallend sterke concurrentieverslechtering
meemaakte. In 2003 zijn de nominale
arbeidskosten per eenheid product in Ierland 3,3 procentpunt
sterker gestegen dan gemiddeld in het eurogebied. Ook het relatief
grote belang van extra-eurogebiedhandel (vooral met de VS)
heeft gezorgd voor een grote invloed van de euroappreciatie en
de dollardepreciatie.Voor Nederland vallen de sterke concurrentieverslechtering
sinds de start van de EMU en het ongunstige
beeld ten opzichte van het langetermijngemiddelde op. Ook hieraan
ligt een aanzienlijk nominale stijging van de arbeidskosten
per eenheid product ten grondslag (circa 22 procent sinds 1999).
Duitsland en Oostenrijk springen er daarentegen gunstig uit:
Duitsland dankzij het gematigde kostenverloop en Oostenrijk
mede door het dominante belang van de intra-eurogebiedhandel.
Overigens geeft op korte termijn de prijsconcurrentiepositie
(PCP) een beter beeld van de mate waarin het land aantrekkelijk
blijft voor zijn afnemers. Figuur 1 laat zien dat sinds begin 2001
de PCP voor Nederland minder is verslechterd dan de KCP. Dit
indiceert dat Nederlandse exporteurs (tijdelijk) winstmarge
hebben ingeleverd om marktaandeel te behouden.
Aanpassing
Landen hebben met het verlies van hun nationale valuta’s een
macro-economisch aanpassingskanaal verloren. Een relatieve
kostenstijging gaat op lange termijn immers samen met een depreciatie
van de munt (en vice versa). Bovendien hangt de wisselkoers
van de euro als aanpassingsinstrument voor de lange termijn
samen met de kostenontwikkeling in het eurogebied als geheel.
Daarom is voor landen nationale loon- en prijsflexibiliteit meer
dan voorheen noodzakelijk om zowel binnen als buiten het eurogebied
concurrerend te blijven. Ook het belang van niet-prijsconcurrentie,
zoals die op kwaliteit en innovatie, is toegenomen.
Terug naar artikelen